Toevoeging blinatumomab aan consolidatietherapie ook effectief bij jongvolwassenen met BCR::ABL1-negatieve B-ALL
Uit de fase III-studie ECOG-ACRIN E1910 bleek eerder al dat toevoeging van blinatumomab aan consolidatie met chemotherapie de algehele overleving (‘overal survival’, OS) verbetert bij volwassenen met BCR::ABL1-negatieve B-cel acute lymfatische leukemie (B-ALL). Tijdens EHA 2025 presenteerde Shira Dinner, MD (Robert H. Lurie Comprehensive Cancer Center of Northwestern University, Chicago, VS) een subgroepanalyse van deze studie, waarin specifiek werd gekeken naar de uitkomsten bij patiënten jonger dan 55 jaar.1
In de fase III-E1910-studie werden patiënten van 30 tot 70 jaar met BCR::ABL1-negatieve B-ALL en een meetbare restziekte (‘measurable residual disease’, MRD)-negatieve complete respons (CR) gerandomiseerd tussen behandeling met consolidatiechemotherapie met of zonder blinatumomab. De resultaten, met een mediane follow-upperiode van 43 maanden, zijn in 2024 gepubliceerd in The New England Journal of Medicine.2 De 3-jaars OS was 85% in de groep deelnemers waarbij blinatumomab toegevoegd was aan het behandelregime, vergeleken met 68% in de controlegroep (p=0,002). Tijdens EHA 2025 werden de resultaten van een subgroepanalyse gepresenteerd, waarbij de werkzaamheid en veiligheid van de toevoeging van blinatumomab werd onderzocht bij patiënten tussen 30 en 54 jaar oud.
Studieopzet
De internationale, gerandomiseerde, ‘open-label’-fase III-studie ECOG-ACRIN E1910 vond plaats in 548 studiecentra in de VS, Canada, Israël en Puerto Rico. MRD en BCR::ABL1-negatieve patiënten met B-ALL werden na inductie en intensieve chemotherapie gerandomiseerd tussen 4 cycli consolidatiechemotherapie met blinatumomab (blinatumomab-groep) of alleen 4 cycli consolidatiechemotherapie (controlegroep). De randomisatie werd gestratificeerd op basis van leeftijd, CD20-status, behandeling met rituximab en stamceltransplantatie-intentie. MRD-negativiteit werd gedefinieerd als <0,01% leukemische cellen in het beenmerg gemeten door middel van flowcytometrie. De primaire uitkomstmaten van de subgroepanalyse waren de OS en de relapsvrije overleving (‘relapse-free survival’, RFS) bij patiënten jonger dan 55 jaar. Daarnaast werd gekeken naar de werkzaamheid bij patiënten van 30-39 jaar en de veiligheid van de behandeling.
Resultaten
In totaal namen 488 patiënten deel aan de E1910-studie, waarvan er 277 jonger dan 55 waren en daarmee binnen de subgroepanalyse vielen. Deelnemers in deze subgroep hadden een mediane leeftijd van 42 jaar (bereik: 30-54) en 48% was vrouw. Uiteindelijk werden 131 MRD-negatieve deelnemers binnen deze subgroep gerandomiseerd tussen de blinatumomabgroep (n=66) en de controlegroep (n=65). De 3-jaars-OS was 92% en 67% in respectievelijk de blinatumomab- en controlegroep (HR [95%-BI]: 0,20 [0,08-0,54]; p=0,002). De 3-jaars-RFS was respectievelijk 86% en 66% (HR [95%-BI]: 0,37 [0,17-0,81]; p=0,009).
In totaal vielen 102 deelnemers binnen de leeftijdscategorie van 30-39 jaar. Binnen deze groep deelnemers was de 3-jaars-OS 100% in de blinatumomabgroep en 73% in de controlegroep (p=0,009). De 3-jaars-RFS bedroeg respectievelijk 90% en 69% binnen deze subgroep (p=0,03).
Veiligheid
Tijdens de consolidatiefase werd bij 20% van de deelnemers in de blinatumomabgroep neutropene koorts van graad 3 of 4 waargenomen, vergeleken met bij 26% in de controlegroep. Een infectie kwam voor bij respectievelijk 20% en 12% van de deelnemers. Sepsis trad op bij 8% van de deelnemers in de blinatumomabgroep, vergeleken met 6% in de controlegroep.
Van de deelnemers in de blinatumomabgroep voltooide 61% alle 4 cycli van de behandeling, 3% voltooide 3 cycli, 27% 2 cycli en 9% 1 cyclus. De behandeling werd stopgezet bij 8 deelnemers in de blinatumomabgroep en 11 deelnemers in de controlegroep, om redenen anders dan sterfte of het optreden van een recidief. Tijdens de daaropvolgende onderhoudsfase stopten 6 deelnemers uit de blinatumomabgroep en 10 deelnemers uit de controlegroep eveneens om andere redenen dan sterfte of recidief. De onderhoudstherapie werd volgens protocol voltooid door 45% van de deelnemers. Twee deelnemers in de blinatumomabgroep overleden, waarvan één als gevolg van een intracraniële bloeding en één na een hartstilstand.
Conclusie
Uit de subgroepanalyse van de internationale, gerandomiseerde, ‘open-label’-fase III-studie ECOG-ACRIN E1910 is gebleken dat toevoeging van blinatumomab aan consolidatiechemotherapie de OS en RFS ook bij relatief jonge volwassenen met B-ALL statistisch significant verlengt ten opzichte van chemotherapie alleen. Volgens de onderzoekers ondersteunen deze resultaten het gebruik van blinatumomab bij adolescenten en jongvolwassenen met B-ALL.
Referenties
1. Dinner S, et al. Addition of blinatumomab to consolidation therapy for younger adults (BCR:ABL1-negative B-acute lymphoblastic leukemia (ALL) on the ECOG-ACRIS E1910 phase III trial. Gepresenteerd tijdens EHA 2025; abstract S110.
2. Litzow MR, Sun Z, Mattison RJ, et al. Blinatumomab for MRD-negative acute lymphoblastic leukemia in adults. N Engl J Med 2024;391:320-33.
